De STEM(ming) van Carice
Een drom wonderen
Ik heb een kinderwens. Als mijn neefje mij geen kus wil geven omdat je ‘anders vulieft’ bent, heb ik het misselijkmakende gevoel van vertedering. Het liefst zou ik hem knuffelen. Uit respect en liefde voor mijn vierjarige neefje, laat ik hem met rust. Opgelucht speelt hij verder met zijn auto’s.
Ik ben geen geboren moeder. De wens om mijn eigen kroost te maken, openbaarde zich rond mijn dertigste. Normale mensen maken dan plannen om deze wens te vervullen, of zijn allang de trotse eigenaar van een drom wonderen. Ik kreeg mijn diagnose rond die leeftijd, dus had eerst een ander project dat ik in een tijdspad moest uitzetten. Ik accepteerde de diagnose maar wilde geen pillen. Ik werd depressief, opgenomen en nam eindelijk mijn Lithium. Same old story.
Mijn kinderwens verdween van het toneel.
Mensen om me heen kregen geen bipolaire diagnose rond hun dertigste. Hun leven ging door. Ik worstelde en mijn Lief vocht met me mee. Want denkt u nou niet dat ik dit allemaal alleen gedaan heb. Ik maakte gebruik van de helpende handen om me heen. Een fijne omgeving is goed voor de bipolair.
Langzaam maakte mijn hart weer ruimte voor aandacht op baby- en kleine kinderengebied. Op straat merkte ik zelfs dat ik glimlachte als een vreemde peuter iets grappigs zei. Ik ging af en toe zelfs een praatje aan met de vaders of moeders die erbij hoorden. Als een kind zo blij was ik als er een vriendin zwanger was. Ik bedolf mijn Nichtje en Neefjes met cadeautjes, post, knuffels en fijne dingen. Voelde me beledigd als ik niet gevraagd werd op te passen. Want ik woonde ‘zo ver weg’ en dat was een belasting voor mij.
Natuurlijk twijfelde ik. Zou ik mijn kind mijn verknipte genen willen meegeven? Kan ik er elke dag zijn voor een kind? Wat gebeurt er als mama is opgenomen met een postnatale depressie en papa alleen thuis zit met een krijsend kind? En wat nu als mijn kind ook bipolair is en uitgroeit tot een depressieve puber?
Bepaalde gevoelens winnen het van rationele vragen. Een baby in een wiegje. Een meisje met blonde staartjes. De wolk wordt rozig en mijn gedachten utopisch.
Ik bel een vriendin om mijn waanideeën mee te delen.
‘O, je belt net tijdens spitstijd’, zegt ze vermoeid. O ja. Het is half zeven.
Op de achtergrond hoor ik haar kroost gillen.
‘Wat zeg je? O, wacht even. Nee Thijs. Niet doen. Leg maar even neer’.
‘Joh’, zeg ik, ‘ik bel later wel terug’.
‘Tessa, niet slaan! Laat je broer met rust!’
‘...’
‘Sorry Carice, ze zijn zo vervelend… Tessa! Nee! We gaan zo in bad!’
Haar aandoenlijke wondertjes laten hun stembandjes goed horen.
We sluiten ons gesprek af. Tevreden druk ik het helse kabaal weg.
Ik geniet van de serene rust en mijn spinnende katten.
Ons wonder is nog niet op de wereld.
Maar de wereld wil vast nog wel even wachten op ons grote wonder.
« Vorige Column |
Volgende Column » |
Schrijf je in op de RSS feed
Wanneer je je abonneert op de RSS feed van tegek.nl / de column van Carice ontvang je automatisch de nieuwste column wanneer deze op de site is verschenen.



